Rugby in de oudheid, door Bob de Jonge

 

?, Bob de Jonge, ?, ?, Fred Huyer, ?RC ’t Gooispelers uit de oudheid (jaren ’30): ?, Bob de Jonge, ?, ?, Fred Huyer, ?

In 1978, bij het 9e lustrum, schreef ons erelid, oud-voorzitter J.A.J. (Bob) de Jonge in De Scrum over de rugby-oudheid in Nederland. Hij maakt daar zelf deel van uit. Als de allereerste secretaris van de op 1 oktober 1932 opgerichte Nederlandse Rugby Bond stond de latere bondsvoorzitter aan de wieg van RC ‘t Gooi. Hij was in die tijd nog lid van ARVC, de Amsterdamsche Rugby Voetbal Club. En dan nu Bob de Jonge zelf aan het woord.

Wanneer je in De Scrum een vraaggesprek met pionier Frankfort hebt gelezen, gaan je gedachten onwillekeurig terug naar het verre verleden. De rugbywereld van heden ten dage is wel heel wat anders dan het rugbywereldje van toen. Je vraagt je af hoe het allemaal is begonnen en hoe het zich heeft gehandhaafd. Het antwoord op dat handhaven is niet zo moeilijk te geven: door pionierswerk van mensen als Frankfort.

DSR-C in actie tegen AAC in Amsterdam in 1934DSR-C in actie tegen AAC in Amsterdam (tijdschrift Sport in Beeld, 1934)

Maar de geboorte van de rugbysport in Nederland is wat duister. De oudste en veruit de oudste club is de DSR-C, die ik in de eerste wereldoorlog in mijn zeer prille jaren weleens zag spelen tegen gestrande Zuid-Afrikaanse studenten en Britse krijgsgevangenen (1). Dat vond dan plaats onder andere in het oude stadion in Amsterdam (2) en als kind werd ik zo geestdriftig dat ik, toen ik de kans kreeg, zelf ben gaan spelen. En die kans kwam in 1930, er stond toen in de Amsterdamse bladen een oproep van een aantal Zuid-Afrikaanse en Engelse studenten ter oprichting van een rugbyclub en daaruit ontstond ARVC, dat gezien het aantal voortreffelijke buitenlanders, een zeer goed partijtje vertolkte.AAC tegen ARVC in maart 1933

AAC tegen ARVC (tijdschrift Revue der Sporten, 13 maart 1933)

1933-01-17 DBC oprichtingARVC, kort daarna gevolgd door AAC, was de derde rugbyclub van Nederland; RCE was inmiddels door oud-Delftenaren van de grond gekomen. Voordien had Delft zich eenzaam en alleen staande moeten houden door enkele wedstrijden per jaar te spelen tegen de Antwerp British, de British Bruxelles en met Pasen enkele ontmoetingen met Engelse XV-tallen. Geen geringe prestatie. Voor de oorlog werden nog opgericht de HRC, de RRC, RC ’35 en de Gooische Rugby Club, dus niet de Rugby Club ’t Gooi. Ik kom daar straks op terug. Door een leraar Engels, Henk Kruising (als ik het goed spel) (3), waren enkele middelbare scholieren geestdriftig gemaakt voor onze sport. Een oprichtingsvergadering vond plaats in een café over de spoorbomen in Bussum. Namens de bond was ik daarbij aanwezig, vandaar mijn band met RC ’t Gooi, waar ik later nog jaren voor heb gespeeld.Scan.BMP

Hoe zat dat nu met die naam? De GRC werd toentertijd (nog voor de oorlog) benaderd door de Atletiek Unie. Indien wij ons aansloten, zouden wij bij de training worden geholpen en ook zou ons materiaal ter beschikking worden gesteld. Daar hebben we nooit iets van gemerkt en dus weigerden wij onze contributie te voldoen. Er werd gedreigd met royement en dat zou hebben betekend, dat de NRB ons ook zou hebben moeten royeren als lid. Eenvoudige oplossing: GRC hief zichzelf op en op datzelfde historische ogenblik kwam de RC ’t Gooi ter wereld!

Onze clubkleuren waren ook niet geheel hetzelfde als nu. De middenbaan van het shirt was lichtblauw. Toen in 1945 weer met frisse moed werd begonnen, werd aan alle oud-spelers verzocht hun shirts ter beschikking te stellen. Toen eindelijk nieuwe shirts konden worden aangeschaft, waren de oude kleuren niet meer te krijgen.

stoomtreinHoe was het (rugby)leven in de oudheid? Wel wat anders dan in de welvaartsstaat! Het reizen geschiedde vrijwel uitsluitend per trein op een zogenaamd gezelschapsbiljet. Aangezien ieder XV-tal zo’n drie of vier werklozen telde, moesten de andere spelers het gezelschapsbiljet voor hun rekening nemen. Wij speelden in het algemeen op bijvelden van kleine voetbalclubs, kleedgelegenheid een oud bouwkeetje, wassen in blikken bakken met water uit de sloot. Voor gezelligheidsavonden was er geen geld ter beschikking, trainen alleen op zaterdagmiddag mogelijk. Maar we hadden er allemaal veel voor over en we bleven overeind!

Kleedhokje van ARVC aan de Schagerlaan, ca. 1930Kleedhokje van ARVC aan de Schagerlaan, ca. 1930 (uit “In de lijn gespeeld”, Leo van Herwijnen, 1982)

De eerste jaren van ’t Gooi kenmerkten zich door grote geestdrift en wat het spel betreft door grote inzet en snelheid. Aan techniek en tactiek ontbrak nog alles. Ons terrein was in de toenmalige “zandafgraving” in de buurt van de watertoren (4). Maar nog voor de oorlog uitbrak in 1940 had ’t Gooi de bekercompetitie gewonnen! De grote namen van die tijd waren: Meeuwis, Jongman, Klasema, Van Heijningen, Van Kooten, Hosman, Plat, Koopmans en nog zovele anderen.

watertoren Bussum02Het terrein bij de watertoren moet links van de weg gelegen hebben, waar nu de begraafplaats is, ter hoogte van het huidige P+R-terrein bij station Bussum Zuid

Ik noemde zo even de bekercompetitie; een gewone competitie kenden wij niet. De bekerwedstrijden werden in een halve competitie gespeeld en verder hadden we net als in Engeland een vrije fixture list. Het kostte de clubbesturen heel wat moeite een goed wedstrijdprogramma in elkaar te zetten. Maar het had ook een voordeel: het ging er bij elke ontmoeting niet om de punten en zo kregen jongere en minder goede spelers volop kans mee te doen.

Henri_van_boovenWaarom er geen competitie was? Dat zat ’m in de NRB. De bond was opgericht op initiatief van de schrijver en journalist Henri van Booven, zelf een zeer verdienstelijk cricketer. DSR-C voelde wel de noodzaak van de oprichting van een overkoepelend orgaan, maar had ook bezwaren. Zoals: wij zijn studenten en wij willen ook onze contacten met Engeland niet verliezen. En dit was vroeger een brandende kwestie. De Britse landen in de wereld hadden hun eigen RFU en ook Frankrijk was daarbij aangesloten. Door de professionele aanpak in Frankrijk (ze waren er daar al vroeg bij), spelverruwing, betaling onder-de-tafel, werd Frankrijk uit de RFU gezet. En begonnen dus de Fransen aan de oprichting van de FIRA. Nu mochten Engelse clubs wel spelen tegen FIRA-leden, maar dan mocht er in het desbetreffende land geen competitie worden gespeeld en we moesten daarvoor buigen. In zekere zin ontdoken wij dat beding, door de beker te laten verspelen in de vorm van een halve competitie. Wij hadden dus wel een bekerhouder, maar geen (echte) kampioen!

En zo kwam het allemaal langzaam en moeizaam op gang totdat er midden in de Tweede Wereldoorlog een zeer plotseling einde aan de zaak kwam en er in 1945 weer opnieuw werd begonnen. En het verdere verloop zal de meesten wel bekend zijn.

Voetnoten:

(1) Dat is maar net mogelijk, want DSR-C werd opgericht op 8 oktober 1918 en de eerste wereldoorlog eindigde op 11 november 1918.

(2) Bedoeld wordt vermoedelijk Het Stadion aan de Amstelveenseweg in Amsterdam,  tot de sloop in 1929 de voorganger van het Olympisch Stadion

(3) Henk Kruissink is de correcte spelling. Hij en André Talboo waren de initiatiefnemers voor de oprichting van de Drafna Sport Club op 14 januari 1933, die ruim een jaar later, op 31 januari 1934, fuseerde met de Hilversumsche Rugby Club tot de Gooische Rugby Club en die weer later Rugby Club ’t Gooi zou gaan heten.

(4) Dit speelveld moet gelegen hebben ter hoogte van het huidige P+R parkeerterrein bij station Bussum Zuid, waar nu de begraafplaats ligt.

Zie ook:

Interview met Bob de Jonge (filmpje uit 1988)

De oprichters van RC ’t Gooi

Het Drafna-lyceum

De oertijd van RC ‘t Gooi: het échte verhaal!

 

“Een leuk stel mannen”, door Tom Visser

 

1937 teamfoto met oa Bep van Kooten

 Gooi-team uit 1937-38, demonstratiewedstrijd in Dieren. Geknield: Kees Meeuwis, Johan de Kooter, Bob Lamberton, Fred Huyer, Elbert Kortenoever, Walt Jongman. Staand: Bob de Jonge, Dolf Plat (met scrum-cap), Jan van Schaik, Bob Swart (met alpinopet), Ko Munnikhuizen, Bep van Kooten, Witte van Heijningen, Rein Koopmans, Zöllner, Jaap van Schaik, onbekende heer in regenjas.

Walter Koopmans en Marie Sophie Wesel reageerden op het verhaal “Ben Hosman in gesprek met Herman Nijhuis (1977)” op deze lustrumwebsite. Zij bleken de zoon en de kleindochter te zijn van ons oer-lid Rein Koopmans, die in de jaren ‘30 en ‘40 rugby speelde bij het toen nog piepjonge RC ‘t Gooi. Rein speelde onder meer mee in de heroïsche sneeuwwedstrijd tegen Anderlecht in 1946. Aat & Walter KoopmansHij overleed in 1992 op 76-jarige leeftijd. Via Walter Koopmans – vernoemd naar een ander oer-lid van RC ’t Gooi, Walt Jongman – kwam ik in contact met zijn 92-jarige moeder, mevrouw Aat Koopmans-de Vries.  

Aat Koopmans-de Vries met zoon Walter Koopmans

Het plan werd bedacht om een verhaal voor de lustrumwebsite te maken over Rein Koopmans en de beginjaren van RC ‘t Gooi en vragen, zoals “wat voor club was het toen?” en “hoe gingen ze met elkaar om?” te beantwoorden. Er vond een gesprek plaats, waarbij vergeelde documenten en oude foto’s op tafel kwamen. En natuurlijk de verhalen van lang geleden.

Feest 12 1/2 jr RC 't Gooi in 1945Vergeeld krantenartikel over het 12,5 jarig jubileumfeest in 1945

Reinold Koopmans werd geboren in 1915 in Blaricum. Hij ging naar de tekenschool (ambachtschool) in Hilversum, net als zijn vriend Henk de Vries, de broer van zijn latere vrouw Aat. Rein dook vanwege de razzia’s door de Duitsers in 1943 of 1944 onder bij de familie De Vries om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen. Daar leerden Aat de Vries en Rein Koopmans elkaar kennen. Zo raakte Aat betrokken bij RC ’t Gooi.

“’t Was een leuk stel mannen” zegt ze over die tijd, “je voelde je er thuis, ook met de vrouwen van de spelers. Er werd nooit gescholden of lelijke dingen gezegd. De meeste spelers waren ook geen grote, stoere jongens. Ze speelden niet op kracht, maar volgens de spelregels. Dieter Büchner en Walt Jongman – de neef van Rein – waren wel grote kerels. Rein Koopmans was niet groot, zo’n 1.75 m lang, hij was rustig, trad niet op de voorgrond, maar was als speler gedreven, soms fanatiek. Ook buiten het rugbyveld gingen ze met elkaar om, het was een echte vriendenclub. Zo werd er bijvoorbeeld gezamenlijk gekampeerd op het strand van Egmond aan Zee, dat mocht toen nog“.

ReinK-35Kamperen op het strand van Egmond aan Zee in 1934/35: RC ’t Gooi-oprichter Henk Kruissink, Johan de Kooter, Bob Lamberton, Witte van Heijningen, Walt Jongman

Toen Rein en Aat in 1946 trouwden vond haar schoonvader, dat het nu tijd was om maar eens op te houden met dat rugby-spelen en alle energie in werk en carrière te steken. Maar dat was niet naar de zin van Aat en dat gebeurde dus ook niet. Rein is nadat hij met spelen stopte nog vele jaren lid van de rugbyclub gebleven. De vriendenkring uit die tijd is heel lang blijven bestaan, vaak tot het overlijden toe. Rein en Aat Koopmans waren in het bijzonder bevriend met neef Walt Jongman, Ben Hosman, Frans Buys, Dick Bouwman, Gé Meerman, Bob Zwart, Kees Meeuwis, Bob Lamberton en Witte van Heijningen en hun partners. Dat bleef niet beperkt tot wederzijdse bezoeken en verjaardagskaartjes, maar omvatte ook gemeenschappelijke hobbies. Zo waren Rein Koopmans, Dick Bouwman en Ben Hosman alle drie enthousiaste amateur-kunstschilders.

ReinK-15Tekening van Dick Bouwman voor de 75ste verjaardag van Rein Koopmans

Zoon Walter Koopmans ging wel met z’n vader mee naar de feestjes in de Utrechtse Poort. Hij heeft zich zelfs laten verleiden om bij ’t Gooi te gaan rugbyen, maar dat bleek toch niet z’n roeping te zijn. Rein Koopmans bleef altijd belangstellend naar het wel en wee van RC ’t Gooi. Zo nam hij deel aan de reünies van oud-spelers in 1978 en 1983, in het toen hagelnieuwe clubhuis.

1978 Lustrum-06Rein en Aat Koopmans bij de lustrum-reünie in 1978, rechts vooraan op de tribune van het sportpark in Hilversum, tussen de andere RC ‘t Gooi-reünisten

1983-04-23 Lustrum reunie-02Oud-spelers bij de lustrum-reünie in 1983. Achter: Cor de Rie, Dieter Büchner, Dick Bouwman. Midden: Witte van Heijningen, Kees Meeuwis, Dolf Plat, Henk van Zalinge, Wim Klink, Paul Engelblik. Vooraan: Rein Koopmans, Henk Ulrici, Jaap Klasema, Ben Hosman, Louis Hosman, Bob Lenderink.

Zie ook:

Ben Hosman in gesprek met Herman Nijhuis (1977)

De heroïsche sneeuwwedstrijd tegen Anderlecht (1946) 

Vlak na de oorlog: 12 1/2 jaar RC ’t Gooi (1945)

Aardig merkwaardig, door Louis van Keller (1983)

Onder de wat zakelijke titel “Herinneringen” schreef Louis van Keller 30 jaar geleden aardige en merkwaardige herinneringen op uit zijn toen al 30-jarige carrière bij RC ’t Gooi. Op de titel na hebben we niets aan Louis’ verhaal veranderd, behalve dan dat het nu mét plaatjes verschijnt. En nu Louis aan het woord.

Louis van Keller in 1965

We zitten toch nog steeds in de “Lustrum” sfeer en daarom, op verzoek van Tineke Jacobs, hierbij wat rugbyherinneringen. Schrijf maar wat grappigs, zei Tineke. Makkelijk gezegd. Niet dat er zo weinig gelachen is in die 30 jaar dat ik bij de rugbyclub ben, maar in de loop der jaren verdwijnen heel wat details.

Nederlands team, 1950. Achter: Ab Rootlieb (Gooi), Siep Reijnders (AAC), Cor de Rie (Gooi), ? (DSRC), vd Hoek (DSRC), Ben Ziepzeerder (AAC), Anton vd Beek (AAC), Toon Bogers (AAC), ?, Ref ?, voor: Piet Dijkman (Gooi), Ab Nordeman (Gooi), ? (DSRC), Werner Buchner (Gooi), Joop van Vught (AAC), ?, ?, ?

Mijn kennis van het spel dateert overigens al van voor mijn lidmaatschap, toen ik op sportpark Zuid in Bussum naar mijn rugbyende broer ging kijken. Ik herinner mij zelfs nog die legendarische scrumhalf van AAC, Joop van Vught. Of hij nu werkelijk zo goed was weet ik niet, ik ben hem niet vergeten omdat hij nou bepaald niet het type van een stoere rugbyer was. Klein, tenger, blekig, kalend, tanig. Meer het type van een boekhoudertje op een stoffig kantoortje. Als dan die grote, zware kerels van AAC, ARVC of ’t Gooi over dat mannetje heen vielen, dan was iedereen op de tribune elke keer weer vol verbazing dat dat taaie mannetje ook elke keer weer gewoon opstond. Zoiets als die kip die overreden wordt door een reusachtige wals, haar veren schudt en zegt: “Tjonge tjonge, dat was nog eens een haan!”.

1934-35 Kamperen met Henk Kruissink (mede-oprichter en eerste voorzitter van RC ’t Gooi), Bob Lamberton, Johan de Kooter, Witte van Heijningen (die in 1933 de eerste try voor RC ’t Gooi scoorde)

Speler van het eerste uur Van Heijningen sprak onlangs in ons clubhuis over die merkwaardige boom die midden in RC ’t Gooi’s eerste rugbyveld stond. Nou, iets dergelijks had sportpark Zuid ook. Oorspronkelijk was het sportpark gebouwd voor concours hippique. In de grond was een betonnen bak gemaakt en gevuld met water moesten daar de paarden over springen. Die betonnen bak was er nog steeds, lag precies in het goalgebied en leek net een vijver na enkele flinke regenbuien. Geen tegenstander deed iets als de bal in die vijver dreef en de Gooiers scoorden menige try door de bal daar alsnog te (onder)drukken. Ernst Sandtmann was er specialist in.

Van Ernst herinner ik mij ook nog een andere escapade. Nijenrode had in die dagen een vreselijk modderig veld. Pure rivierklei. Na een paar regenbuien lag er een laagje water op en was het veld zo glad als spek. We zijn na afloop weleens met onze rugbyspullen aan onder de douche gegaan. Eens tijdens zo’n glibberpartij sprintte fullback Ernst naar de bal, gleed uit, viel languit op zijn buik, gleed als een surfplank zo’n 7 á 8 meter over het veld en schoot als een raket in een sloot, twee meter naast het veld. Wat hebben we gelachen.

Oude meesters 1974, achter: Peter Oomens, Piet Bakker, Hans vd Bovenkamp, Joop vd Bovenkamp, John Heydendahl, Hans Walscheid van Dijk, Kees van Gelderen, Eisse Zorge, Frans Lambour, Joep van Gelderen, Pieter Luteyn, Peter Akkermans, midden: Ge Meerman, Piet Dijkman, Chris Veerman, Rob Plat, Henny Westerweel, voor: Dolf Ubaghs, Arnold de Wolf, Ernst Sandtmann, Ton de Mey, Paul Wurster

In die jaren moest je je vaak met een enkel straaltje koud water behelpen na de wedstrijd. Dat koude water deed menig Gooier besluiten zijn kleren bijeen te graaien en thuis onder de douche te gaan. Zo ook Gé Meerman. Hij pakte zijn kleren en zat even later in de auto op weg naar Amsterdam. Jammer genoeg had hij ook de broek van Piet Dijkman meegenomen. Knoestige Piet zat er niet mee en recipieerde even later doodgemoedereerd in zijn modderige rugbybroek-tot-op-de-knieën in de stamkroeg van de club, Café Restaurant Prinses Margriet.

Eens reden we, op weg naar een wedstrijd tegen Den Haag, met 5 Gooiers geklemd in een Volkswagen-kever Den Haag in toen de bestuurder van een Opel meende gesneden te worden. De Opel werd dwars op de weg gezet en eruit stapte een klein, giftig Indonesiërtje. De Volkswagen stopte en eruit stapte 1 kerel, 2 kerels, 3 kerels………, 4 kerels………, 5 kerels! De Indonesiër stond stil, wilde iets zeggen, stond met zijn mond open te kijken naar die vijf woeste kerels die op hem afkwamen, slikte zijn woorden in, stapte snel in zijn auto en scheurde weg.

En dan al die aardige, merkwaardige mensen die ooit ons shirt droegen. Eens hadden we een trage, met veel te grote passen lopende speler. De meeste tegenstanders waren hem te snel af maar moedig zette hij dan al sjokkende de achtervolging in. Al spoedig het hopeloze van de strijd inziende besloot hij dan, om zijn gezicht te redden, zijn “sprint” met een prachtige, spectaculaire zweefduik…. in het luchtledige.

Noordwijk, demonstratiewedstrijd tegen Hilversum, van rechts af: 4e Loek van Keller, 7e Koen Schols, 8e Dolf Ubaghs, 15e André van Keller

Koen Schols was een goeie rugbyer met een chronisch tekort aan conditie. Ik herinner mij van hem, dat hij menig keer prachtig doorbrak en het veld over sprintte, om vervolgens enkele meters voor de tryline dodelijk vermoeid, over zijn eigen voeten struikelend, tegen de grond te smakken.

Dolf Ubaghs is misschien de beste tackelaar geweest die de club ooit gehad heeft. Dolf tackelde de eerste center met zoveel snelheid en kracht dat hij en passant de tweede center meenam. In de laatste jaren van zijn carrière had dat goede tackelen één groot nadeel. Ons Dolf hield zijn hoofd aan de verkeerde kant, zodat de tegenstander op hem viel, waardoor Dolf menig keer voortijdig het veld moest verlaten.

Als vierkant gebouwde Erik Neumüller van ARVC (meestal kwamen ze met niet meer dan een man of 10 naar Bussum) de bal had, schalde zijn strijdkreet over het veld: “Ratatata!”. De kreet van ’t Gooi in die dagen was: “van ijzer Gooi!”.

Tweehonderdtwintig pond zware en 1.95 m grote John Heydendaal kwam uit een familie van Monte Carlo rijders. John zelf kon er ook wat van. O jee, als hij dat ging demonstreren. Eerst pakte hij dan op volle snelheid een benzinestation. D’r op en er weer af met honderd zoveel kilometer. Daarna kwam een gevaarlijk kruispunt. Volgens John moest je die als volgt oversteken: flink gas geven, de handrem aantrekken, stuur omgooien en achterste voren stoof je dan het kruispunt over. Dat was véél veiliger volgens John. Nee, dan deed mijn beste vriend Alfred Kinébanian het anders. Reden we met vijf auto’s naar Amsterdam, dan waren de eerste vier auto’s zo ongeveer bij Diemen als Alfred nog steeds links, rechts, links, rechts turend bij het eerste kruispunt in Naarden stond.

Onze grote truc met lichte en uiterst lenige Alfred (hij was de enige die zelf zijn hele rug kon wassen) was om hem te posteren naast de meest gevaarlijke line-out springer van de tegenstander met als opdracht: “sla zijn benen weg, op het moment dat hij helemaal boven is”. Dat deed Alfred nauwgezet. Kwam zo’n tegenstander verkeerd, plat op zijn rug, op de grond, dan hoorde je: “Pfffffffff”, een tijdje niets, waarna moeizaam piepend en kreunend: “hie, hu, hie, hu, hie, hu” de adem weer op gang kwam.

RC ’t Gooi-bestuur in 1963. Dolf Ubaghs, Louis van Keller, Jaap Simons, Ernst Sandtmann, Bas Hageman

Egbert Otten ging mee kijken bij een uitwedstrijd en stond voor hij het wist in het veld voor zijn eerste wedstrijd. Bas Hageman was een veel betere sprinter dan tackelaar. Ik herinner mij, ik geloof dat het bij Te Werve was, dat Bas de achtervolging inzette op een heel dikke prop van de tegenpartij die rechtstreeks op de tryline afstevende. Bas had hem spoedig ingehaald, maar dan moest de tackel komen, komen, komen, komen en dat duurde en duurde en duurde.  De dikke prop met Bas’ adem in de nek werd nerveuzer en nerveuzer. Keek om, keek weer om en viel toen over z’n eigen voeten. Van die komische strip hebben we toen buikpijn overgehouden.   

Henk Werkman is de langste speler die we ooit gehad hebben: 2.06 meter! Na een drukke zaterdag en een onbeslapen zaterdagnacht speelden we in Hannover onze tweede wedstrijd op zondag. Bij een lange kick ver over ons heen waren we volkomen gerust, dat onze goeie Zuid-Afrikaanse Willem van Drimmelen dat wel zou klaren. Toen we omkeken zagen we….. Willem van Drimmelen languit in diepe slaap in het 25-gebied liggen.

“Engelsman” The Mai (Ton de Mey) in 1970 

Beste herinneringen bewaren we ook aan die vele demonstratiewedstrijden die we in de loop der jaren speelden op Koninginnedag ergens op het platteland. Eerst de koeinnn van het laaand en daaan die gekke ruggebieers d’r op. Eens zouden we tegen Engelsen spelen. Toen die niet kwamen bouwden we 15 Gooiers om tot Engelsen. De luidspreker riep de namen om: “King, Fox, Uncles, The Mai, Flat” enz. Zoiets zouden we best nog eens kunnen doen. Bijvoorbeeld een Duits team bestaande uit Schindler, Elfferich, Schneider-Bloksch, Von Eichen, Bäkker, Wilhelms, Platsch, Zinholtz, Telcht!!, Völker und Dirch-Johann Lindenbaum onder leiding van der Fritz Frankfurt tegen een Gronings-Fries team met spelers als Steginga, Ettema, Houba, Scheltema, Frankema en Graderma.

Nu stop ik. Vervolg over 5 jaar.

Ben Hosman in gesprek met Herman Nijhuis (1977)

Ben Hosman en Wim Munnikhuizen bekijken oude rugbyfoto’s, 26 januari 2005 

Zesendertig jaar geleden stond er in De Scrum van februari 1977 een interview met ons erelid Ben Hosman. Hij sprak met Herman Nijhuis (toen nog geen erelid), destijds de aanvoerder van de Scrumredactie, over zijn herinneringen aan oude Gooi-tijden. Een mooi verhaal, dat we hier graag nog eens vertellen.

RC ’t Gooi 1937. Achter: Kees Meeuwis, Dolf Plat, Fred Huyer, Kees Kennis, Rein Koopmans, midden: André van de Hoek, Louis Diem, Johan de Kooter, Henk Stuurop, Bob Lamberton, Hans Fannois, Walt Jongman, vooraan: Ben Hosman, Jaap Klasema, Piet van Lingen

Praten met Ben Hosman over rugby op een winteravond bij de open haard met een goed glas wijn is een openbaring. Sprankelend komen de rugby-verhalen te voorschijn. Vele namen worden genoemd. Mannen van het eerste uur, die onze club hebben opgericht: Bob de Jonge, Witte van Heijningen, Bob Lamberton, Rein Koopmans, Kees Meeuwis, Jaap Klasema, Elbert Kortenoever, de Kooter, Schrage, Plat, van de Hoek, Zöllner en vele anderen.

1937-38 vertrek van station Bussum naar Den Haag. 1e rij: Walt Jongman, André Talboo, Fred Huyer, Jaap Klasema, Johan de Kooter, 2e rij: Kees Kennis, André van de Hoek, Kees Meeuwis, Ben Hosman, 3e rij: Elbert Kortenoever, Reijn Koopmans, Dolf Plat, 4e rij: Aad Kennis (met hoed), Bob Lamberton

In feite is het allemaal begonnen in december 1932, toen de heren Kruissink en Talboo in het Tuschinsky Theater te Amsterdam een film zagen over rugby en zodanig enthousiast werden, dat besloten werd om, met medewerking van de Nederlandse Rugby Bond, te trachten ook in Bussum een rugbyclub op te richten. En hiermede was in februari 1933 R.C. ’t Gooi geboren.

Het landhuis Drafna in Naarden, waar het Theosofisch Lyceum was gevestigd 

De eerste trainingen en wedstrijden werden gespeeld op de ezelweide met een boom midden in het veld, dat gelegen was naast het Theosofisch Lyceum “Drafna”. Ben Hosman begon in 1936 rugby te spelen op het veld bij de watertoren, zgn. het terrein bij de zandafgraving. Een veld vol zwerfkeien, dat niet geschikt was voor de voetballers. Maar rugby kon er wel op gespeeld worden. Als kleedruimte had men een oude loods ter beschikking en als douche een waterton met een puts. Dat waren barre tijden!

Er bestond echter een hechte vriendenkring (zodanig zelfs, dat de meisjes soms gedeeld werden). Er was ook geen clubhuis, waardoor het veld het enige trefpunt was, waar men elkaar met vrienden, vriendinnen en familieleden ontmoette. Na afloop ging men met de dames achterop de fiets weer huiswaarts, met uitzondering van een enkele gelukkige, die de beschikking had over een auto of een motorfiets.

Door die hechte vriendenkring werden wedstrijden gewonnen, niet door een grote techniek, doch door een verbeten inzet om elkaar niet teleur te stellen. Doordat er maar zeven clubs waren, kende iedereen iedereen en de onderlinge band tussen die clubs was reuze goed. In oorlogstijd werd het wat minder met het clubgebeuren en er zijn toen een paar leden gefusilleerd.

Nassaulaan Bussum, in oorlogstijd, te zien aan de verduisteringsschotten voor de winkelramen. Kees Meeuwis, Aga Klasema (de vrouw van Jaap), Jaap Klasema, Ben Hosman, Rie Hosman

Ben Hosman is eigenlijk door zijn buurjongens Jaap Klasema en Kees Meeuwis in de rugbysport terecht gekomen en hij heeft er nooit spijt van gehad. Werd hierin ook sterk gesteund door zijn vrouw. Toen er kinderen kwamen vergezelde zij hem altijd nog naar het rugbyveld. Ook toen er vier kinderen waren werd er trouw naar het veld gekomen. Pa Hosman had dan een kind voor- en achterop de fiets, ma Hosman kwam dan later met de kinderwagen naar het veld met een kind erin en een kind erop of ernaast.

De feesten die in die tijd werden gehouden werden ook per fiets bereikt. Zo staat nog in aller herinnering het carnavalsfeest in “De Zeven Linden” te Laren; men moest er wel tot 4 uur in de nacht binnen blijven vanwege de spertijd in de oorlog. De kinderen werden ter plekke in de bedstee gedeponeerd.

Er werden in die tijd ook demonstratiewedstrijden gehouden, zelfs rugby was een onderdeel van de Olympische spelen in Amsterdam. RC ’t Gooi leverde reeds in 1936 spelers voor het nationale XV-tal, o.a. Walt Jongman, die maar eventjes vanuit Egmond aan Zee naar Bussum fietste om daar eventjes de interland tegen Frankrijk te spelen en toen maar weer eventjes terugfietste naar Egmond. Ook de heren Stuurop en Schut kwamen iedere week getrouw uit Eerbeek om te trainen en te spelen. Dat was ouderwetse inzet en men was in die tijd niet veel luxe gewend.

Scrum in de sneeuwwedstrijd tegen Anderlecht in 1946

In 1939 speelden Jaap Klasema en Walter Jongman mee tegen Roemenië. Ook de wedstrijd tegen Anderlecht zal Ben nog vele jaren heugen. Na een tocht van ruim 5½ uur met de bus was er zoveel sneeuw gevallen, dat toen men bij Anderlecht aankwam  er inmiddels 30 cm lag. De Belgen hadden er toen geen zin meer in om een partij te spelen, maar ja, die Hollanders hadden niet voor niets zo lang in die rotbus gezeten, zodat er, onder daverende lach-salvo’s, toch nog een wedstrijd gespeeld werd.

Ook de bustocht naar Düsseldorf ligt nog vers in de herinnering. Men ging vanuit Bussum met een bus van Bussums Bloei. Daar aangekomen werden zij ontvangen door heren met bruine hemden aan en in wagens naar het sportveld vervoerd, waar later de Joden naar de gaskamers werden getransporteerd. Op de terugweg was halverwege de bus van Bussums Bloei uitgebloeid, midden in de bossen in de buurt van Arnhem kregen zij panne (gelukkig voor hen die een vriendinnetje bij zich hadden).

Gooi 1937/38, demonstratiewedstrijd in Dieren. Achter: Bob de Jonge, Dolf Plat (met scrumcap), Jan van Schaik, Bob Zwart (met alpinopet), Ko Munnikhuizen, Bep van Kooten, Witte van Heijningen, Reijn Koopmans, Zollner, Jaap van Schaik, ? (met regenjas), voor: Kees Meeuwis, Johan de Kooter, Bob Lamberton, Fred Huyer, Elbert Kortenoever, Walt Jongman

De sterkste van de zeven clubs uit die tijd waren ongetwijfeld de Delftse Studenten, maar onze voorwaartsen hadden er tijdens die wedstrijden wel danig de pest in, daar ze meestal in een wolk van jenever stonden te pushen. Het sportpark aan de Meerweg werd intussen het rugbyveld. Ook daar werden reeds in 1946 en 1947 veel demonstratie- en internationale wedstrijden gespeeld voor een in die tijd toch wel talrijk publiek. Meestal betraden wij het veld met de vlag van R.C. ’t Gooi voorop (waar is eigenlijk die vlag gebleven?).

Knipsel uit De Bussumsche Courant van 24 februari 1939

Voor reklame werden er door de leden met de hand gemaakte affiches gemaakt (ingekleurd met zwarte en rode inkt). Die werden dan bij de winkeliers voor de ramen gehangen of aan bomen genageld. De enige ernstige blessure die Ben Hosman ooit heeft opgelopen is een hersenschudding in de wedstrijd tegen België. Vanuit België werd hij toen met rugbykleren en al in de auto gezet en bij zijn vrouw afgeleverd, die toen wel wist dat er iets fout was.

Rechts Ben Hosman als scheidsrechter op Sportpark Bussum Zuid bij een onbekend sevens-team

Zonder meer stelt Ben, dat hij door de rugbysport een veel groter doorzettings- en incasseringsvermogen heeft gekregen. Maar, gelooft hij, je had in die tijd meer over voor je club en de sport dan nu het geval is. In 1936 begonnen met spelen tot 1956. Daarna nog diverse bestuurstaken vervuld. Ook is Ben nog scheidsrechter geweest. Hij kan terugzien op een bijzonder fijne sporttijd.

Het Drafna-lyceum

De Drafna Sport Club: zo heette RC ’t Gooi bij de oprichting op 14 januari 1933. Vernoemd naar het Drafna-lyceum, waar onze oprichter Henk Kruissink als leraar werkte. Nieuwsgierig als we zijn gingen we op zoek naar meer informatie over deze school. Googlen op ‘Drafna-lyceum’ en ‘Drafna Bussum’ leverde niets op. Wel kwam steeds een landgoed Drafna in beeld, maar een landgoed en bovendien in Naarden gelegen: dat kon het toch niet zijn..? Hoe nu verder?

Landgoed Drafna vanaf de Meentweg

Uit een eerdere zoekactie wisten we, dat er een (oud) rector van het Drafna-lyceum was met de naam Hinloopen Labberton. Dan maar eens zoeken op die toch niet alledaagse achternaam. Het bleek, dat het ging om professor dr. Dirk van Hinloopen Labberton, een historicus en gepensioneerd Oost-Indisch ambtenaar. Eén van de hits verwees naar een adressenlijst, waaruit bleek, dat de prof destijds woonde op “Drafna” in Naarden. En toen begon het te dagen.

Leerlingen en docenten van het Theosofisch Lyceum in het najaar van 1933 voor het huis Drafna (Bron: historisch tijdschrift voor Naarden ‘De Omroeper’)

Dus tóch dat Naardense landgoed! Verder zoeken leverde een publicatie op over ‘middelbaar en lager onderwijs op de buitenplaats Drafna’, onder de titel ‘Het Theosofisch Lyceum in Naerdinclant’.  Dat laatste bleek de officiële naam van het lyceum te zijn, Drafna-lyceum was slechts spreektaal. Het landgoed lag – en ligt nog steeds – vlakbij de huidige vestigingsplaats van RC ’t Gooi. Hemelsbreed op – pakweg – een kilometer afstand, achter de A1, aan de Huizerstraatweg, voorbij Givaudan Nederland (beter bekend als de Chemische Fabriek) linksaf, aan de Meentweg.

1933-01-24 DBC 1e vergaderingHet houten hoofdgebouw van destijds werd in 1860 gebouwd en in 1942 vervangen door een bakstenen gebouw, dat er nog steeds staat. Het lyceum was gevestigd in dit houten gebouw en in een aantal bijgebouwen. In de lokalen van het lyceum werd een week na de oprichting van de rugbyclub, op 21 januari 1933, onze eerste  ledenvergadering gehouden en verkleedden de spelers zich voor de trainingen, die op de ezelenweide bij het houten hoofdgebouw op het landgoed gehouden werden.

Ezels op een weide op Drafna

Uit het artikel ‘Het Theosofisch Lyceum in Naerdinclant’ van Annie Verweij (De Omroeper, december 2009, jaargang 22, nr. 4) blijkt, dat het lyceum startte in september 1927 in het landhuis Heerlijkheid, verderop aan de Meentweg gelegen, waar destijds Van Hinloopen Labberton woonde. Op 29 juni 1928 werd de buitenplaats Drafna op naam van de Stichting Theosofisch Lyceum in Naerdinclant overgeschreven en op 10 juli 1928 kon het pand als school in gebruik worden genomen. Vanaf het begin poogde de school subsidie van het Rijk en de lokale overheden te verkrijgen, maar zonder veel succes. Door het ontbreken van vrijwel alle overheidssteun modderde men met een beperkt budget verder. Financiële offers van de docenten en acties om gelden te werven bleken uiteindelijk onvoldoende om het te kunnen bolwerken. In 1941 viel na 14 jaar het doek voor het lyceum. De bij het lyceum behorende lagere school ‘Klein Drafna’ wist het nog tot het eind van de jaren ’50 vol te houden.

Zou het toeval zijn, dat RC ’t Gooi gestart is in een houten gebouw, dat als bouwpakket vanuit het buitenland is ingevoerd en 80 jaar later ook in zo’n houten gebouw gevestigd is?

 

 

De oprichters van RC ’t Gooi

Uit de overlevering weten we, dat er twee jongemannen waren, die in december 1932 enthousiast naar Bussum terugkeerden, nadat ze in de Amsterdamse Tuschinski-bioscoop een film over rugby hadden gezien. Zij namen het initiatief tot de oprichting van de Drafna Sport Club, die later Gooische Rugby Club en weer later Rugby Club ’t Gooi zou gaan heten. Maar wie waren die jongemannen en wat weten we van ze? Henk Kruissink en André Talboo heetten ze, weten sommigen van ons. Daarmee houdt de kennis wel zo ongeveer op. Dus maar eens op onderzoek uit.

Berichtje in De Bussumsche Courant van 17 januari 1933 over de oprichting op 14 januari 1933

 

1934-35 Kamperen met Henk Kruissink, Bob Lamberton, Johan de Kooter en Witte van Heijningen

Drs. H.W.J.Z. (Henk) Kruissink was leraar Engels aan het Drafna-lyceum en woonde aan de Brediusweg 66 in Bussum. Hij was 27 jaar oud, toen op 14 januari 1933 de Drafna Sport Club werd opgericht en hij de eerste voorzitter werd. Hij was erbij aanwezig, toen op 4 maart 1933 het bestuur van de Nederlandse Rugby Bond de nieuwe vereniging als lid accepteerde.

Zijn positie als docent zal de nieuwe club vast wel geholpen hebben om het sportveld van het Drafna-lyceum te mogen gebruiken. De naam Drafna Sport Club ligt niet echt voor de hand voor een Bussumse rugbyclub. Deze werd echter gekozen op verzoek van de rector van het Drafna-lyceum, prof. dr. D. van Hinloopen Labberton. En dat kweekte vast ook weer goodwill voor de nieuwe vereniging.

Henk Kruissink uitte in de algemene ledenvergadering van de nieuwe vereniging in oktober 1934 heftige kritiek ‘op den moreelen en financieelen toestand der vereniging’. Deze was acht maanden daarvoor met de vooroorlogse Hilversumsche rugbyclub gefuseerd tot de Gooische Rugby Club, met hem als energieke voorzitter. Zijn bestuurlijke kwaliteiten kon hij ook op een andere manier uiten, want (vooral) hij organiseerde de interland Nederland-Frankrijk B (uitslag: 11-66!) op 22 april 1935, 2e Paasdag, op Sportpark Bussum. In oktober 1935 werd hij benoemd tot bondsconsul en in september 1936 tot lid van het hoofdbestuur van de N.R.B.: een veelbelovende carrière als rugbybestuurder leek aangebroken.

Foto uit de Gooi- en Eemlander van 23 april 1935

Als rugbyspeler was Henk Kruissink minder opvallend, zijn naam wordt tenminste weinig genoemd in de krantenverslagen uit die tijd. Hij speelde als forward in de eerste rij en trad soms als aanvoerder op. In 1937 is hij overleden. In De Gooische Post van 3 april 1937 staat onder de overlijdensberichten, dat Hendrik W.J.Z. Kruissink, 31 jaar oud en ongehuwd, te Bussum is overleden. De oorzaak van zijn vroegtijdig overlijden wordt niet genoemd, ook niet in de overlijdensadvertentie die zijn ouders plaatsten in het Algemeen Handelsblad van 27 maart 1937. Daaruit blijkt wel, dat hij diezelfde dag overleed en op woensdag 31 maart 1937 op de Algemene Begraafplaats in Naarden begraven zou worden. Deze begraafplaats wordt tegenwoordig de Oude Begraafplaats genoemd en ligt aan de Bussumse Brediusweg, tegenover hotel-restaurant Jan Tabak. Het graf van Henk Kruissink is daar nog te zien.

Op 16 april 1938, bij de viering van het eerste lustrum, noemde De Bussumsche Courant Henk Kruisink: ‘een voorbeeld van kameraadschap en sportiviteit’ en ‘een groot verlies voor de club’. Hij werd als voorzitter opgevolgd door J.A.J. (Bob) de Jonge, ons latere erelid.

1937-38 Vertrek vanaf station Bussum naar Den Haag. André Talboo is de tweede van links op de eerste rij 

André Talboo was de andere oprichter van de rugbyclub. Hij woonde in Bussum aan de Nassaulaan 16 en zou de eerste penningmeester worden. Zijn verhaal in De Scrum van 1946, 13 jaar na de oprichting van de vereniging opgeschreven, is tot nu toe – bij gebrek aan documenten over die tijd in ons archief – onze belangrijkste bron van kennis over de begintijd van de club.

Op de ledenlijst van het begin van het seizoen 1940 (die zal dus ongeveer van september 1940 geweest zijn) staat Talboo vermeld als buitengewoon lid, wonend in Oegstgeest en ook uit een brief van 31 december 1941 blijkt, dat hij in Oegstgeest woont, maar nu op een ander adres. In die brief doet hij het verzoek, de wedstrijd om zijn ‘Talboo-beker’ te verspelen op 4 januari 1942, ‘zoodat ik dan deze wedstrijd als een waardig slot kan beschouwen van mijn Rugby-leven in Holland’. Hij zou namelijk vertrekken naar Zeeland. Dat dit ook echt gebeurd is, blijkt uit een brief aan André Talboo van 3 augustus 1944, gericht aan een adres in Terneuzen. Het lijkt dus waarschijnlijk, dat de betrokkenheid van André Talboo bij de club vanaf 1940 en misschien wel eerder niet zo groot meer was.

Dat is van belang voor het ‘wegen’ van zijn herinneringen aan de beginjaren, zoals verteld in 1946.  Daar zaten vijf oorlogsjaren en verschillende verhuizingen buiten het Gooi tussen, waarin zijn contact met de club niet intensief geweest kan zijn. In Terneuzen richtte hij in 1944 een rugbyclub T.R.V.C. 1944 op. Ze hadden geen rugbybal en door ‘de nood der tijden’ (de Duitse bezetting en de oorlogshandelingen) viel daar ook moeilijk aan te komen, zoals blijkt uit een uitgebreide en (achteraf) vermakelijke correspondentie hierover. André Talboo speelde in zijn actieve jaren bij ’t Gooi als forward in de derde rij en trad ook op als linesman en referee. André Talboo is  overleden op 7 oktober 1947.

De oertijd van RC ‘t Gooi: het échte verhaal! Deel 6.

Op 31 oktober meldt de krant, dat de wedstrijd A.R.V.C. 1 tegen D.S.C. in 11-5 geeïndigd is, na een 8-0 ruststand. In de tweede helft kwam D.S.C – versterkt met enige Hilversummers – geducht opzetten; ze scoorden een try, die werd geconverteerd. De Drafna Sportclub won vervolgens met 6-0 van de Haagsche rugbyclub, meldt de krant op 6 november 1933. Een kleine drie maanden later, op 30 januari 1934, meldt D.B.C., dat afgelopen vrijdag (dat was dus op 26 januari), op verzoek van H.R.C., de besturen van Hilversum en de Drafna Sportclub zijn samengekomen. Het besluit werd genomen de clubs samen te voegen tot een grote Gooische rugbyclub. Dit besluit werd vervolgens in een gecombineerde ledenvergadering van de beide clubs op woensdag 31 januari besproken en goedgekeurd. Beide clubs waren vanaf dat moment dus verenigd tot Gooische Rugby Club: ruim een jaar na de oprichting van de Drafna Sportclub.

Op zaterdagavond 24 maart 1934 vond in “Pschorr” te Hilversum het jaarfeest van de Gooische Rugby Club plaats, meldt D.B.C. op 27 maart 1934. Een uitstekend geslaagde avond, met talrijke ongure individuen, die van ’s avonds 9 uur tot ’s morgens 4 uur de dansvloer bevolkten. Een halfjaar later, op 5 oktober 1934, bericht die krant over de algemene ledenvergadering van de Gooische Rugby Club, die diezelfde week plaatsvond. Besproken werden:

  • de kinderziekten in het eerste jaar van de jonge vereniging
  • kritiek op “den moreelen en financieelen toestand der vereeniging”
  • het unanieme oordeel, dat de club kon voortbestaan
  • maatregelen “om tot een volledige reorganisatie der vereeniging te geraken”
  • de keuze van een nieuw bestuur, waarin H. Kruissink voorzitter zou blijven.

Op 19 oktober 1934 schrijft De Bussumsche Courant, dat er 12 rugbyclubs in Nederland zijn en dat er nog geen sprake is van een competitie. Toch heeft de bond een klein wedstrijdprogramma samengesteld “ter verhooging van het spelpeil en ter bevordering van het enthousiasme”.

De oertijd van RC ‘t Gooi: het échte verhaal! Deel 4.

Op 9 februari stond er een rugby-promotieverhaal in De Bussumsche Courant plus de mededeling, dat D.S.C. inmiddels (zonder ook maar één wedstrijd gespeeld te hebben!) 25 leden had ingeschreven. Op 14 februari meldde de krant, dat er de volgende zondag een eerste oefenwedstrijd tegen de Hilversumsche rugbyclub zou zijn en dat op de woensdag daarna N.R.B.-voorzitter Van Booven een lezing over de rugbysport zou houden. Twee dagen later volgde de mededeling, dat D.S.C. niet op zondag, maar op zaterdagmiddag tegen Hilversum zou spelen op het sportterrein van het Drafna-lyceum. D.S.C.-voorzitter Kruissink was leraar op het Drafna-lyceum, dat zal vast wel geholpen hebben.

Op 20 februari meldde D.B.C., dat de wedstrijd tussen Hilversum en Bussum was geeïndigd in 13-3. Niet slecht voor een eerste oefenwedstrijd én de eerste try werd gedrukt! De volgende dag schreef de krant, dat N.R.B.-voorzitter H. van Booven uit Hilversum woensdag in hotel Nieuw-Bussum zou komen spreken over het rugbyspel en dat iedere belangstellende welkom was. Twee dagen later werd verslag gedaan van een goed geslaagde propaganda-avond, waar Van Booven en N.R.B.-secretaris De Jonge vertelden over de sport en haar geschiedenis in Nederland en Europa.

De volgende maand, op 7 maart, berichtte De Bussumsche Courant over de N.R.B.-bestuursvergadering van de zaterdag daarvoor, dat was dus op 4 maart 1933. Er zou – zo mogelijk in Bussum – een oefenwedstrijd plaatsvinden tussen een Nederlandse A en B-selectie, waarin ook Drafna-driekwarter G. van Heyningen was opgenomen. En dat na slechts één oefenwedstrijd gespeeld te hebben! D.S.C. werd op 4 maart 1933 ingeschreven als lid van de rugbybond. (wordt vervolgd)

De oertijd van RC ’t Gooi: het échte verhaal! Deel 1.

Was het nou in februari 1933, in 1932 of op een ander moment, dat Rugby Club ’t Gooi werd opgericht? Een vraag die bij de club rond elke lustrumviering wel de kop opsteekt. Die onduidelijkheid komt doordat er geen ooggetuigen meer zijn, geheugens rare dingen zijn, het clubarchief weinig aanknopingspunten biedt en er briefpapier is gevonden, waarop als oprichtingsjaar 1932 staat vermeld. In het jubileumboek RC ’t Gooi 1933-1983 wordt het verhaal van André Talboo geciteerd, verteld in de Scrum van september 1946:

(wordt vervolgd)